
Roland van Oers en zijn vrouw Julia runnen sinds 2005 Bakkerij van Oers in Sprundel, het familiebedrijf dat in 1938 werd gestart door de opa van Roland. Het bedrijf heeft inmiddels filialen in Roosendaal, Etten-Leur en Sint Willebrord.
Roland, wat is jouw eerste herinnering aan de bakkerij van jouw opa?
Roland: Daar weet ik niet meer zoveel van. Ik herinner me vooral dat mijn opa friet bakte. Nadat mijn vader de bakkerij had overgenomen, verveelde mijn opa zich. Daarom begon hij een friettent, de allereerste van Sprundel. Maar er werd vroeger thuis wel veel over brood en bakken gepraat. Voor mij was het vanzelfsprekend om ook bakker te worden. Dat heb ik ook al heel vroeg gezegd. Van jongs af aan hielp ik ook mee in de bakkerij. In eerste instantie brood rondbrengen en brood snijden, en van lieverlee kreeg ik steeds meer taken. Maar ik kon ook goed met mijn pa overweg. Die deelde zijn kennis ook graag. Mijn zus hielp eveneens mee in de bakkerij, maar had niet de ambitie om daar iets in te gaan doen. Mijn pa wilde me na de lagere school naar de mavo in Rucphen sturen, want dat was lekker dichtbij. Maar ik wilde per se naar de bakkersopleiding in Oudenbosch. Die duurde vier jaar. En daarna moest ik in Breda nog mijn ondernemersdiploma halen. Je kon in die tijd niet zomaar als zelfstandige beginnen. Als je nu start, heb je geen papieren meer nodig. Bakker is een vrij beroep geworden. Best oneerlijk eigenlijk, gezien alle tijd, kosten en energie die je er destijds in moest steken.
Julia, hoe was het voor jou om in zo’n familiebedrijf terecht te komen?
Julia: Ik ben van huis uit een boerendochter en heb de detailhandelsschool gedaan. Mijn ouders hadden thuis een melkveehouderij, maar mijn jongere zus en ik hadden geen van tweeën zin om het bedrijf over te nemen. Ik heb tien jaar in een slagerij gewerkt voordat ik in een supermarkt op de brood- en banketafdeling terechtkwam. Dat is achteraf gezien heel grappig. Maar toen hadden we al verkering, Roland en ik hebben elkaar leren kennen met stappen. Toen zei hij al: ‘Wéét waar je aan begint, want ik ga straks de bakkerij bij ons thuis overnemen’. Mijn vader vond dat bakken trouwens wel een goed idee. ‘Mensen blijven altijd brood eten’, zei hij. In 2000 ben ik fulltime bij de ouders van Roland in de bakkerij begonnen. Met hen kon ik ook prima samenwerken. Het klikte goed. Ze hebben ons alle fijne kneepjes van het vak bijgebracht. In 2005 hebben we de zaak samen overgenomen.
Hoe hebben jullie dat ervaren?
Roland: Mijn vader was beetje bij beetje zaken aan het overdragen, maar daar ging best wel wat tijd overheen, hoor. De echte overdracht werd telkens uitgesteld. Mijn ouders vonden het denk ik toch wel moeilijk om afstand te doen van de zaak. En zij hadden het natuurlijk altijd op hun manier gedaan. Wij zijn op zeker moment wel wat veranderingen gaan doorvoeren. Zo zijn we hier de winkel in Sprundel gaan verbouwen en dat had ook te maken met het feit dat we van het bezorgen af wilden. Dat kostte heel veel tijd en we wilden de aandacht echt op de winkel vestigen. De klanten moesten naar óns toe komen. Maar het maakte wel dat het hier wel héél druk werd. Achter de schermen waren we al een paar jaar aan het rondkijken naar een goede plek voor uitbreiding, ook om het bedrijf te kunnen laten groeien en gezond te houden. Uiteindelijk werd het de vestiging in Roosendaal. Bij dat pand hadden we meteen een goed gevoel. Bovendien hadden we een positieve ervaring opgedaan met de verbouwing in Sprundel. De eerste keer is altijd het moeilijkst. De stap naar een tweede filiaal was daarom gemakkelijker te maken. Etten-Leur was sowieso al een belangrijk afzetgebied, dus daarna wilden we het met een vestiging dáár nog een keer proberen. De laatste uitbreiding in Sint Willebrord was eigenlijk niet gepland, maar die mogelijkheid kwam op ons pad. De bakker daar stopte en de klanten uit Sint Willebrord kwamen allemaal bij ons aangezet. Toen bedachten we dat het handig was om dan ook dáár maar te gaan zitten.
Hoe bewaak je de ziel van een familiebedrijf terwijl het groeit?
Roland: Het is voor een belangrijk deel ‘fingerspitzengefühl’. Iedereen is toch anders en iedereen heeft zijn eigen kwaliteiten. Ik laat mij elke dag overal zien. Misschien is dat wel een goede kwaliteit: als ze op een vestiging vragen hebben, kunnen ze mij die altijd stellen.
Hoe houden jullie als samenwerkende partners werk en privé in balans?
Roland: Ik vind het niet moeilijk om met Julia samen te werken, hoor.
Julia: Als er wat is, wordt het naar elkaar toe uitgesproken. ’s Avonds nemen we even de dag door met een bakje koffie. Dan is de dag afgesloten.
Roland: Al vind ik zelf de bereikbaarheid wel lastig. Appjes, mailtjes, alles blijft doorgaan. Er wordt gemakkelijk ’s avonds nog een berichtje gestuurd met de vraag: ‘Kan ik morgenochtend om zes uur nog wat worstenbroodjes komen halen voordat ik naar mijn werk ga?’ Dat vind ik wel het moeilijkst aan een kleiner bedrijf.
Julia: Het leuke aan ondernemen is wel dat het geen één dag hetzelfde is. Het is nooit saai, er is altijd reuring.
Roland: Het is inderdaad nooit gewoon. De verrassende elementen maken het ook leuk. Soms is het runnen van een bedrijf een hele puzzel, hoor. Maar als je die puzzel dan gelegd hebt, geeft het veel voldoening.
Spelen jullie qua vernieuwing ook in op trends?
Roland: Een tijd terug had je de crompouce. En daarna waren de cupcakes plotseling weer populair. Daar kunnen we heel snel op inspelen.
Julia: Je moet erin mee, want klanten vragen ernaar.
Roland: Maar worstenbrood, eierkoeken en speculaasjes zijn nog steeds de grootste hits, hoor. Als we een kind een speculaasje geven, hopen we natuurlijk dat de ouders meteen een heel pak nemen.
Hoe kijken jullie naar de toekomst van het bakkersambacht?
Roland: Er verdwijnen steeds meer bakkers. En op het moment dat een bedrijf stopt, zou je denken misschien een bakker te kunnen overnemen. Maar dan klinkt het van: ’s Nachts werken? Daar begin ik niet meer aan’. En dat kan niet, hè? Het brood moet ’s ochtends wel in de schappen liggen. Maar het moment dat zo’n jongen stopt, verdwijnt ook de vakkennis. Heel jammer. Het is wel een ding, hoor. Ik vraag me ook af hoe het gaat uitpakken. We hebben een zoon en een dochter. Onze zoon heeft wel een bakkersdiploma gehaald, maar of hij op enig moment met de bakkerij wil doorgaan? Daarover laat hij nog niet veel los.
Julia: Van ons hoeft hij het niet, we gaan zeker niet pushen. Uiteindelijk ligt de keuze bij hem.
Tot slot: met wie zouden jullie zelf aan de keukentafel willen zitten?
Roland: Het lijkt me wel ruig om met Mark Rutte aan tafel te zitten. Ik vind dat hij het als premier goed heeft gedaan. Ik denk dat ik veel van hem kan leren.
Julia: Ik zou wel met mijn overleden schoonvader aan tafel willen zitten. Om te horen wat hij ervan vindt hoe we het allemaal hebben gedaan. De opening van de vestiging in Roosendaal heeft hij niet meer mogen meemaken. Veel bakkers zijn omgevallen, terwijl wij alleen maar zijn gegroeid. [n] TEKST ADDO SPRANGERS

