
Ewald Sieben: Doelloze talenten
Door: Ewald Sieben ColumnHet enige ‘positieve’ dat ik ooit in het oude communisme kon ontdekken was de efficiënte talentenmachine. Elk kind werd getest op fysieke potenties en doorliep vervolgens een onderwijstraject waarin men die aanleg cultiveerde. Dat leverde topatleten op die met alle medailles gingen strijken. Vooral, omdat ze ook tot een bedenkelijk niveau medisch ondersteund werden zodat de benodigde spiergroepen steeds in optimale conditie waren.
U zag dat ik in de eerste zin ‘positieve’ tussen aanhalingstekens plaatste. Dat was het misschien voor de propagandamachine, maar lang niet altijd voor de atleten zelf. Sport begint met spelvreugde en wie daarbij voldoende talent ontdekt, kiest vervolgens zelf voor een topsportloopbaan. Deze lange inleiding had ik nodig om het geval Tom Dumoulin nog eens tegen het licht te houden. Tom – lieve jongen - doet het nu voorkomen alsof hij onder communistische omstandigheden de top heeft bereikt. Hij heeft het allemaal voor anderen gedaan en nooit aan zichzelf gedacht. Dat is natuurlijk lariekoek. Sterker nog, had Tom de communistische tradities doorlopen dan was hij allang afgevallen wegens mentale zwakheid. Niet erg – we leven in een vrij land – maar anderen nu verwijten dat ze hem min of meer gedwongen hebben, is niet fair.
Toch heb ik wel eens heimwee naar dat oude communistische systeem omdat we nu, met name in de kleine sporten zoals schaatsen, fietscross, squash, biljarten en darten de echte wereldkampioenen nooit te zien krijgen. Eenvoudig omdat ze die sporten nooit geprobeerd hebben. Ze zijn zich niet bewust van hun talent. Maar communistische strengheid zou nu ook niet meer werken. De meeste jongelui –ook de getalenteerden – accepteren geen autoriteit en zijn niet weg te slaan achter hun beeldschermen. Of, zoals cabaretier Fons Jansen het ooit beeldend omschreef, ze zijn aanhangers van het adagium: ‘Zolang ik maar niks doe, kan ik nog alles’. Kijk, daar win je geen oorlogen mee.




