
Ewald Sieben: ‘De dorpskapper’
Door: Wies van Erp ColumnROOSENDAAL - Het is druk voor de etalage van de slager. Hij heeft iets nieuws. Olifanten-kontenvlees in blik. Een dame staat binnen te klagen. Het blik was helemaal leeg! Oh, sprak de slager, dan had u vast het hol’. Van moeder mocht ik niet meer naar kapper Arnou op de Markt. Die vertelde veel te schuine moppen. Sindsdien nam mijn haarverzorging bijzondere wendingen.
Eerst trok vader mijn stekels op lengte met een botte handtondeuse. Later gaf hij me een kam met daarin een scheermesje, zodat ik het zelf bij kon houden. Vader en zoon De Pauw waren de eerste professionals die weer aan mijn hoofd mochten komen en de laatste decennia was Cees Buijsen in Kruisland mijn ‘mannetje’.
Ik schrijf dit met een traan want Cees is niet meer. Cees was oud-kroegbaas met prachtige verhalen, een dito rond buikje en knippen ging ook best aardig. Hij hield me letterlijk en figuurlijk een spiegel voor. Vroeg me de oren van de kop en moest hartelijk lachen om mijn antwoorden, waarmee ik eigenlijk net zo burgerlijk bleek als de rest van zijn dorpsklanten. De laatste jaren waren minder leuk. Cees worstelde met een oprukkende dementie, waardoor verhalen vertellen steeds moeizamer werd. Namen en verhaallijnen vervaagden. Dankzij zijn vrouw- en dochterlief kon Cees blijven knippen, maar het werd steeds pijnlijker. Hij kon eindeloos zoeken naar gereedschap dat voor zijn neus lag. Het deed hem fysiek pijn en mij ook.
Veel van zijn klanten vonden het bezwaarlijk dat Cees soms niet meer wist waar hij gebleven was en haakten af. Op mijn oude kop maakte dat niet uit. Ik bleef. Al was het maar voor die ene glimlach. Bedankt Cees voor alle gezelligheid. Het was een eer. Ik ga weer op zoek naar dat kammetje of desnoods een handtondeuse.




