Vijftig jaar na de treinramp staan de herinneringen de Tholenaar nog helder voor de geest: "Ik ga nooit meer in het voorste treinstel zitten."
Vijftig jaar na de treinramp staan de herinneringen de Tholenaar nog helder voor de geest: "Ik ga nooit meer in het voorste treinstel zitten." Foto: Olaf Knook

Bout (98) overleefde de treinramp bij Eindewege: ‘Ik weet dat ik het er goed heb afgebracht’

Door: Olaf Knook Algemeen

THOLEN - “Morgen ben ik thuis”, zei Iman Bout (98) tegen zijn vrouw Cornelia. Een dag later, op 27 oktober 1976, zat de Tholenaar na een lange nachtdienst in de trein naar huis. Tussen Goes en Middelburg botste die in dichte mist op een goederentrein. Bout overleefde de ramp en hielp gewonden. De herinneringen van die ochtend draagt hij nog altijd met zich mee.

Bout voer met een tankschip tussen Rotterdam en Antwerpen. Op de avond voor de ramp belde hij zijn vrouw Cornelia. “Ik was al in de buurt van Vlissingen, maar moest ’s nachts nog naar Antwerpen om te lossen. Om zes uur zou ik worden afgelost en rond acht uur zou ik thuis zijn”, vertelt Bout.

Cornelia zou zijn spullen en de vuile was ophalen. “We konden elkaar dan nog even zien en lekker knuffelen.” Als Bout daarover vertelt, beginnen zijn ogen te stralen. Hij is 98 jaar oud en woont sinds enkele weken in woonzorgcentrum Ten Anker in Tholen.

Tekst gaat verder onder de foto.

Iman Bout haalt op zijn kamer in woonzorgcentrum Ten Anker herinneringen op die hem nog altijd raken.
Iman Bout haalt op zijn kamer in woonzorgcentrum Ten Anker herinneringen op die hem nog altijd raken.

Als een sardineblikje

De volgende ochtend stapte Bout in de trein. Er hing een enorm dikke mist buiten. Na zijn nachtdienst dommelde hij wat weg in zijn stoel. Het was rond half acht en de trein zat vol, onder meer met jonge mensen die naar school gingen. “Ik werd daar steeds wakker van.” Om 7.35 uur vertrok de trein. Tien minuten later gebeurde de ramp.

Bij Eindewege botste de trein achterop een goederentrein. Vlak daarvoor had Bout bijna instinctief zijn been opgetild en zijn voet tegen de stoel voor hem gezet. Bij de klap klemde hij zichzelf vast. “Ik zag hoe de zijkant van de coupé werd opengescheurd. Als een sardineblikje.” Ineens zat Bout in de open lucht. “Daarna ben ik een stuk kwijt. Ik heb denk ik een black-out gehad van ruim een uur.”

Toen hij weer bijkwam, zag hij boven zich een man in het vangnet liggen. “Ik wist meteen dat hij overleden was.” Bout keek om zich heen. De coupé, die kort daarvoor nog vol reizigers had gezeten, was leeg. Bout moest zelf uit de trein zien te komen. De coupé was losgeraakt van de rest van de trein, waardoor hij er gemakkelijk uit kon. “Ik moest alleen nog ongeveer drie meter naar beneden springen.” Eenmaal buiten zag hij wat er was gebeurd.

Tekst gaat verder onder de fotoslider.

Krantenartikel in de PZC een dag na de ramp.
Krantenartikel in de PZC een dag na de ramp.(Foto: Olaf Knook)
Iman Bout werd kort na de ramp geïnterviewd.
Iman Bout werd kort na de ramp geïnterviewd.(Foto: Olaf Knook)

Gewonden helpen

Zonder dat er hulpverleners aanwezig waren, begon Bout andere slachtoffers te helpen. In totaal hielp hij drie mensen. “Een man had zijn gezicht zwaar verwond en zijn been was gebroken. Ik ondersteunde hem en bracht hem naar een soort dijkje langs het spoor. Hij vroeg hoe het met zijn gezicht was. Ik zag hoe ernstig het was, maar wilde hem niet nog banger maken. Daarom zei ik maar dat hij wat modder op zijn gezicht had.” Zelf had hij alleen wat bloed op zijn hand en jas.

Bij de ramp kwamen zeven mensen om het leven, onder wie de machinist. Bout zag ook iemand aan de stroomdraden hangen. “Het gegil van die persoon bleef me nog wekenlang achtervolgen. De kreten kwamen zelfs in mijn nachtmerries terug.” Uiteindelijk kwam er een politieagent zijn naar hem toe. “ Die vroeg wat ik daar deed. Ik zei dat ik uit de trein kwam. Hij wees me naar een busje waarmee ik naar Middelburg kon.”

In Middelburg belde Bout zijn vrouw. Cornelia kwam hem ophalen. Eenmaal thuis kwam ook de dokter langs, die hem medicijnen wilde geven. “Maar dat wilde ik niet. Ik wist iets beters: een stevige borrel.” Later belde Bout zijn baas. Die zei: “Je hebt nog vier weken vakantie staan. Neem die maar op, dan kun je een beetje bijkomen.” Vier weken bleef Bout thuis. Daarna moest hij weer aan het werk.

Droom van de buurvrouw

Sindsdien was de trein niet meer hetzelfde voor Bout. “Ik durfde eigenlijk niet meer. Toch moest ik uiteindelijk weer met de trein reizen, omdat mijn werk me richting Duitsland bracht. Ik stapte weer in, maar één ding wist ik zeker: nooit meer in het voorste treinstel.”

Na de ramp heeft Bout nooit meer iets van de Nederlandse Spoorwegen gehoord. Geen telefoontje, geen gesprek en niemand die vroeg hoe het met hem ging. Zijn vrouw Cornelia was enige met wie hij erover kon praten. “Zij heeft mij altijd gesteund.”

Dat veranderde wel. Nog voordat Cornelia wist wat er met Bout was gebeurd, vertelde de buurvrouw dat ze had gedroomd dat Bout een treinongeluk had gehad. “Pas later ontdekte ik toevallig dat de vrouw van iemand die ik via mijn werk kende, ook in die trein had gezeten. Toen kon ik eindelijk praten met iemand die er ook bij was geweest.”

Vijftig jaar na de treinramp staan de herinneringen Iman Bout nog helder voor de geest.
Vijftig jaar na de treinramp staan de herinneringen Iman Bout nog helder voor de geest.


Blijf op de hoogte van het lokale nieuws uit jouw regio met onze dagelijkse nieuwsbrief